All posts by FonsMeijer

Veerkracht ten tijde van crisis: college tijdens online-symposium

Vorige week organiseerde het Departement Geschiedenis, Kunstgeschiedenis en Oudheid het online-symposium Veerkracht ten tijde van crisis. Leiderschap, verbeelding, ervaring sinds de oudheid tot heden. Dit om de studenten en medewerkers van het departement een gelegenheid om samen te komen en de coronacrisis in historisch perspectief te bezien.

Ik leverde ook een bijdrage en vertelde een verhaal over de rol die beeldvorming van de Oranjes speelde in tijden van rampspoed.

Nederlandse vorsten in tijden van nationale crisis

17 september 2013, Binnenhof Den Haag. (Wikimedia Commons)

Zojuist werd bekendgemaakt dat koning Willem-Alexander om 19.00u een toespraak zal houden over de coronacrisis. Ik verwacht niet dat hij uitgebreid stil zal staan bij de beleidskeuzes van de Nederlandse regering, zoals premier Rutte afgelopen maandag bijvoorbeeld wel deed. Een blik op de geschiedenis leert dat de rol van Nederlandse vorsten in tijden van crisis en rampspoed er eerder een is van troosten, ondersteunen en moreel verkwikken. Door mijn onderzoek weet ik dat zij zich dan presenteren als vader/moeder van de natie (en ook zo worden gezien door een deel van de bevolking). Zij prediken dan sociale cohesie en het belang van onderlinge ondersteuning.

Lodewijk Napoleon

Het tonen van betrokkenheid na crises gaat in Nederland terug op Lodewijk Napoleon (r. 1806-1810), Nederlands eerste koning. Tijdens de Leidse buskruitramp (1807) en twee watersnoden (1808 en 1809) bezocht hij onder meer de rampplek en bemoeide hij zich uitgebreid met de hulpverlening. Vooral de fysieke aanwezigheid van de vorst maakte telkens indruk. Na het bezoek van Lodewijk aan Leiden schreef de regeringskrant – in enigszins propagandistische bewoordingen – bijvoorbeeld dat zijn bezoek daar ‘alom troost heeft verspreid en dankbaarheid doen geboren worden’. Een andere regeringstrouwe krant dichtte hem de bijnaam toe van ‘père des malheureux’, de vader der ongelukkigen.

Willem I

’s Lands eerste Oranjemonarch, koning Willem I (r. 1815-1840), stelde zich in dit opzicht een stuk terughoudender op dan zijn voorganger. Hoewel hij bij rampen als watersnoden, stadsbranden en epidemieën vanuit het paleis de hulpverlening coördineerde en bijvoorbeeld hulpverleners stuurde of donaties deed, maakte hij er geen gebruik van om rampgebieden te bezoeken en daar hulpverleners aan te moedigen en slachtoffers een hart onder de riem te steken.

Er zijn meerdere verklaringen voor deze terughoudendheid te bedenken – ik zal er één uitlichten. Het op compassievolle wijze in contact treden met onderdanen paste niet bij de wijze waarop Willem I zijn koningschap vormgaf. De bestuursstijl van de Oranjevorst was een stuk zakelijker en utilitaristischer dan die van de meer impulsieve en emotioneel betrokken Lodewijk Napoleon.

In sommige gevallen kon hij wel terugvallen op zijn zoon, kroonprins Willem – de latere koning Willem II (r. 1840-1849) – die een stuk minder moeite had met een empathisch soort leiderschap. Na een grote stormvloed in 1825 reisde de kroonprins af naar Noord-Holland. Hier bezocht hij onder andere het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam, dat dienstdeed als vluchtelingencentrum. (Jullie kennen allemaal het schilderij dat Mattheüs Ignatius van Bree van dit bezoek maakte: kijk maar eens naar de banner van deze website.)

Willem III

Hoewel de onconstitutionele, vaak driftige en openlijk overspelige koning Willem III (r. 1849-1890) in weinig opzichten voldeed aan het toonbeeld van een eerbiedwaardige koning, was hij juist op zijn best als hij zich in tijden van rampspoed kon doen gelden als een betrokken volkskoning. Vooral na twee grootschalige rivieroverstromingen in 1855 en 1861 stelde hij zich zeer proactief op. Hij opende collectes, deed uit eigen zak donaties, joeg persoonlijk de fondsenwerving aan en bezocht de overstroomde gebieden.

Schaatsenrijders wijzen koning Willem III de weg tijdens de watersnood in de Bommelerwaard, 1861 (Rijksstudio, Rijksmuseum)

Bij deze gelegenheden presenteerde hij zich niet alleen als vader, maar vooral ook als een heldhaftige hoeder van de natie. Toen hij bij een toespraak terugblikte op zijn betrokkenheid bij de watersnood van 1861, zei hij bijvoorbeeld het volgende: ‘Mogt het Vaderland, hetgeen God verhoede, ooit weder in nood verkeren, dan zal Ik ook op de plaats van het gevaar niet gemist worden.’

De koninginnen van de twintigste eeuw

Meer en meer werd het onderdeel van de Nederlandse crisiscultuur dat vorsten zich nadrukkelijk manifesteerden in tijden van nationale crisissituaties – anders dan in veel andere monarchieën, waar vorsten meer afstand hielden tot de bevolking. Ook Willem III’s dochter, kleindochter en achterkleindochter lieten van zich horen na rampen. Koningin Wilhelmina bezocht na een stormvloed van 1916 bijvoorbeeld het getroffen Zuiderzeegebied en koning Juliana waadde na de grote watersnood van 1953 met kaplaarzen door het water in Zeeland.

Velen zullen zich ook nog herinneren hoe de aangedane Beatrix na de vliegtuigramp in 1991 de Bijlmer bezocht. Of toen zij na de vuurwerkramp in Enschede naar de verwoeste wijk kwam en als ‘een troostende moeder’ (dixit NOS) een arm sloeg om de geëmotioneerde politiechef die haar rondleidde. Nog in 2009 sprak zij via de beeldbuis het land toe nadat een aanslagpleger een ruw einde had gemaakt aan de Koninginnedagfestiviteiten – er waren toen acht doden te betreuren. En na zijn televisietoespraak na de aanslag op MH17, is het vanavond dus de beurt aan koning Willem-Alexander.

New publication: electoral researchers as political experts

Just received in the mail: the newest addition to the Routledge Approaches to History series, on information and power in history, the remainder of a fruitful conference held in Amsterdam three years ago and the result of a hard-working editorial team.

With Wim de Jong, I have written a contribution on the role Dutch electoral researchers have played in politics and media: ‘Electoral research, pollsters, and the performative power of information about the “public”: The Netherlands and the transatlantic connection (1945–1990)’ We show that these experts cannot be ignored as important actors in history. They mediate public opinion, providing frames and concepts for the public to interpret political and social reality. They make the faceless mass readable and transparent for political and media elites. Politicians base strategies on this information, and journalists use it to grasp the relationship between politics and the electorate.

Click here if you want to know more about our contribution.

Niet voor progressieven: het ‘thuis’ van Gert-Jan Segers

De terugkeer van de verloren zoon, door Rembrandt, circa 1662, Rijksmuseum Amsterdam

Nederland is een verweesde samenleving, zo luidt de strekking van het nieuwste boek van Gert-Jan Segers. In De verloren zoon en het verhaal van Nederland gebruikt hij de nieuwtestamentische parabel van de verloren zoon, die het huis verlaat, spijt krijgt en weer terugkomt, om dit te illustreren. Door onder meer de groeiende kloof tussen arm en rijk, de opkomst van flexcontracten en de toegenomen immigratie zou onze maatschappij ontworteld zijn geraakt, en zou er een brede behoefte zijn om ‘weer thuis te komen’.

De ChristenUnie-voorman probeert zich nadrukkelijk te manifesteren als een genuanceerde middenpoliticus, die zowel de zorgen van linkse als van rechtse kiezers begrijpt. In een stuk voor historiciweblog Over de Muur betoog ik echter dat progressieve kiezers op hun hoede moeten zijn. Het denken over de maatschappij als huisgezin – en huiselijkheidsdenken in het algemeen – zijn in het verleden keer op keer gebruikt om publiek debat te pacificeren en onwelgevallige groepen en ideeën te diskwalificeren. Ook Segers lijkt deze neigingen te hebben, vooral waar het gaat om moslims en Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond.

Deugen de meeste mensen? Interview met Rutger Bregman

Mensen zijn van nature egoïstisch. Als beschaving wegvalt komt het monster in ons naar boven. Als de bommen uit de lucht vallen of de dijken breken, dan worden mensen wat ze echt zijn: wilde wolven. Toch? Helemaal fout, betoogt Rutger Bregman, historicus en auteur bij De Correspondent. Als de beschaving wegvalt, komt volgens hem juist het beste in mensen naar boven. Ze blijken veerkrachtig, hulpvaardig en altruïstisch. In zijn meest recente boek, De meeste mensen deugen, maakt de historicus korte metten met het idee dat beleefdheid en vriendelijkheid slechts een dun laagje beschaving is, dat bij het minste of geringste barst. Bregman ziet vriendelijkheid niet als een laagje, maar als wezenlijk onderdeel van de mens.

Voor Geschiedenis Magazine mochten Adriaan Duiveman en ik met Bregman in gesprek. We spraken over de implicaties die zijn mensbeeld heeft voor de geschiedschrijving, over de manier waarop zaken als zaken als racisme en genocide zich verhouden tot dit mensbeeld en over de relatie tussen historici en de samenleving. Het interview verscheen in nummer 8-2019 van Geschiedenis Magazine en is hier te lezen.

Recensie: Bart van der Steen, In Leiden moet het anders

Hoe verging het de Leidse SP-afdeling in de jaren voorafgaand aan het behalen van de eerste raadszetel? Deze vraag staat centraal in het nieuwste boek van de Leidse historicus Bart van der Steen, In Leiden moet het anders. Geschiedenis van een SP-afdeling, 1970-1982. Door een combinatie van factoren, waaronder veel linkse concurrentie en een uitgespeelde rol voor de lokale fabrieksindustrie, duurde het 12 jaar tot de partij een eerste verkiezingsoverwinning kon vieren. Aan de inzet lag het het, laat Van der Steen zien: de Leidse afdeling,een van de eersten die werd opgericht, zette zich vol overgave in voor het veranderen van de maatschappij.

Voor Holland: Historisch Tijdschrift mocht ik het boek bespreken en mijn oordeel vind je op de website van het tijdschrift.

Recensie: Jan Wim Buisman, Onweer

Dit voorjaar verscheen Onweer. Een kleine cultuurgeschiedenis 1752-1830 van de Leidse religiehistoricus Jan Wim Buisman. In dit prachtig vormgegeven boek staat de vraag centraal hoe de omgang met onweer veranderde na de uitvinding van de bliksemafleider door Benjamin Franklin. Hoe dacht men over de relatie met God, nu wetenschap en techniek plotseling een middel boden om het risicovolle onweer het hoofd te bieden? En leidde deze nieuwe context van relatieve veiligheid tot nieuwe manieren van artistieke omgang met dit gevaarlijke maar ook zo indrukwekkende fenomeen?

Voor tijdschrift De Moderne Tijd mocht ik het boek bespreken. Mijn oordeel kun je hier vinden, op het nieuwe online recensieplatform van het tijdschrift.

Recensie: Beatrice de Graaf, Tegen de Terreur

Arthur Wellesley, de eerste Hertog van Wellington. Hij speelde een belangrijke rol bij het optuigen van het veiligheidssysteem na Napoleon en komt uitvoerig aan bod in het boek van De Graaf.

Vorig jaar verscheen van Beatrice de Graaf, hoogleraar History of International Relations & Global Governance aan de Universiteit Utrecht, het boek Tegen de terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon. Hierin onderzoekt ze hoe na de ondergang van Napoleon in Europa een systeem van collectieve veiligheid werd opgetuigd. Tijdens de Napoleontische overheersing en vooral na Napoleons terugkeer in 1815 groeide het besef bij de geallieerden dat vrede en stabiliteit geen natuurgegeven waren, maar actief dienden te worden nagestreefd. Vanaf 1815 werkten de geallieerde grootmachten (Groot-Brittannië, Pruisen, Oostenrijk en Rusland) binnen de zogeheten Geallieerde Raad nauw met elkaar samen om dit ‘tweekoppige monster’ van revolutionaire terreur en napoleontische overheersing uit te bannen en zo de veiligheid op het continent te waarborgen. Het resultaat van dit streven was de eerste institutionele vorm van een collectief veiligheidssysteem.

Voor het nieuwste nummer van Tijdschrift voor Geschiedenis mocht ik Tegen de terreur bespreken. Ik besluit mijn bespreking met de opmerking dat De Graaf ‘een uitgebreid, goed gedocumenteerd en invoelend boek geschreven heeft over de geschiedenis van een wereld die bezeten was door de angst voor terreur en revolutie’. Benieuwd naar de hele recensie? Die kun je hier vinden, mits je/je organisatie een abbonement heeft op TvG.

Jaarcongres werkgroep Moderne Tijd 2019

De interdisciplinaire werkgroep De Moderne Tijd (voorheen De Negentiende Eeuw) organiseert op vrijdag 20 december 2019 het jaarcongres Rampzalig Nederland. De omgang met rampen in Nederland en Vlaanderen, 1780-1940. Een diverse groep sprekers zal haar licht laten schijnen over verschillende aspecten van de omgang met rampen in de moderne tijd. Hoe werden rampen gerepresenteerd in culturele media, zoals literatuur, gedenkboeken, kranten, schilderijen, prenten en kaarten? Hoe kwamen solidariteit en liefdadigheid tot uiting? Wanneer was er bij een rampspoedige gebeurtenis sprake van een ‘nationale ramp’? Welke invloed was er op geloof in God en goddelijke voorzienigheid?

Ikzelf zal een bijdrage verzorgen over de verbeelding van drie Oranjemonarchen (Willem I, Willem III en Wilhelmina) na rampen. Hoewel we weten dat rampen bij uitstek de momenten waren waarop vorsten populariteit konden vergaren, weten we maar weinig over de beeldvorming die rond dit soort ‘PR-momenten’ ontstond. Ik zal laten zien dat beeldvorming een essentieel domein was waarin betekenis werd gegeven aan vorst en natie, juist in een tijdperk waarin de monarchie als staatsvorm niet altijd even vanzelfsprekend was.

Voor meer informatie over aanmelding, locatie en het programma, klik hier.

Inclusieve geschiedenis op de Historicidagen

Afgelopen week vonden in Groningen de Historicidagen plaats, een tweejaarlijks evenement dat op initiatief van de KNHG wordt georganiseerd dat een platform biedt aan allen die beroepsmatig met het verleden bezig zijn. Het thema van deze editie was inclusieve geschiedenis, met vragen als: hoe inclusief zijn de thema’s waar historici zich mee bezighouden, wie schrijft welke geschiedenis, hoe inclusief zijn de bronnen die we gebruiken?

Met de onderzoeksgroep van Dealing with Disasters in the Netherlanders was ik ook aanwezig op de Historicidagen. In ons panel, ‘Rampen, solidariteit en inclusiviteit’, gingen we na op welke manieren solidariteit in Nederland tot uiting kwam na rampen, van de zestiende tot de negentiende eeuw. We vroegen ons onder meer af hoe inclusief deze solidariteit nu eigenlijk was. Het was een gevarieerd panel: zo leerde Hanneke van Asperen de toehoorders anders kijken naar een prent uit de achttiende eeuw en zongen we rampliederen onder leiding van Lotte Jensen.

In mijn bijdrage, een bewerking van een paper dat ik eerder in Durham presenteerde, zette ik vraagtekens bij het beeld dat rampen in de negentiende eeuw aanjagers waren van nationale naastenliefde en maatschappelijke betrokkenheid. Hoewel dichters na rampen en stadsbranden vaak het nationale gemeenschapsgevoel predikten, had dit discours sterke conservative implicaties en bestendigde het hiërarchische maatschappijverhoudingen, een gedachte die eerder door letterkundige Laurens Ham is verwoord. Heel inclusief was solidariteit na rampen niet, zo betoogde ik in Groningen.

Fotograaf: Paul Hulsenboom